Designpunt en het Jaarboek
Vlaanderen kent een opmerkelijk rijke ontwerppraktijk. Anno 2026 halen ontwerpers mooie projecten binnen met prestigieuze buitenlandse opdrachtgevers. Ook een recente telling door Emilie Rijckaert toont aan dat het aantal designstudenten aan Vlaamse hogescholen de voorbije tien jaar met 37% steeg. Daarbovenop zien we de opkomst van nieuwe opleidingen die nog buiten deze cijfers vallen. We zien designers op succesvolle wijze samenwerken met partners binnen en buiten de sector. Initiatieven zoals Collectible hebben bovendien gezorgd voor een groeiende aandacht op internationaal niveau
voor Belgisch design. Er waren nog nooit zoveel awards in Vlaanderen als voorheen. Kortom, er beweegt veel binnen een sector die zich voortdurend vernieuwt.
Tegelijk blijft dat verhaal verrassend vaak onzichtbaar. De Vlaamse designsector is breed en divers, maar ook sterk versnipperd. Ontwerpers kennen doorgaans hun directe collega’s, maar hebben minder zicht op ontwikkelingen in aanpalende disciplines. Ook voor curatoren, onderzoekers, opdrachtgevers, beleidsmakers en journalisten ontbreekt vaak een gedeeld overzicht. Waar worden de belangrijkste ontwikkelingen gedocumenteerd? Waar worden verbanden
gelegd tussen uiteenlopende praktijken? Waar ontstaat een gezamenlijk gesprek over de richting van het veld?
De voorbije jaren verdwenen verschillende overzichtsprojecten en -publicaties en die die rol vroeger gedeeltelijk opnamen. Daardoor staat niet alleen de zichtbaarheid van het veld onder druk, maar ook de ontwikkeling van een gedeelde designcultuur. Een ontwerpsector groeit immers niet uitsluitend door wat er wordt gemaakt, maar ook door de gesprekken die daarover gevoerd worden. Ontwerpers geven aan nood te hebben aan referenties, debat, kritiek, documentatie en ontmoeting. Niet als keurslijf, maar als context om jezelf toe te verhouden, of om jezelf juist tegen af te zetten.
Vanuit die vaststelling werd in 2024 Designpunt opgericht als Vlaams expertisecentrum voor designcultuur. Designpunt ondersteunt de ontwikkeling van het ontwerpveld door kennis op te bouwen en te delen, ontwikkelingen te monitoren, ontmoeting en reflectie te stimuleren en de zichtbaarheid van designcultuur te versterken. Het Jaarboek Design is één van de instrumenten waarmee Designpunt deze opdracht wil realiseren. Het bundelt relevante ontwikkelingen, maakt opmerkelijke projecten zichtbaar en creëert ruimte voor reflectie en discoursvorming. Tegelijk is het ook een vorm van documentatie. Design laat zich moeilijk archiveren. Projecten verdwijnen, websites verdwijnen, tentoonstellingen sluiten en publieke aandacht verschuift. Door projecten, ideeën en discussies samen te brengen wil het Jaarboek ook bijdragen aan een collectief geheugen van de Vlaamse designcultuur.
Tendensen te zien in de projecten
U heeft de eerste editie van een terugkerende reeks in handen. De aanduiding 2024–2026 verwijst naar de periode waarin de opgenomen projecten tot stand kwamen én naar het jaar van publicatie. Doorheen de jaren hopen we zo een referentiereeks te creëren waarin ontwikkelingen, verschuivingen
en tendensen binnen de Vlaamse designcultuur te volgen zijn.
Het ontwikkelen van een overzichtswerk als een jaarboek doe je niet alleen. Designpunt koos voor een open call aan de sector, voor het insturen van zowel de projecten als essays, waarop we een overweldigend aantal reacties ontvingen voor een eerste editie. Eind december boog een inhoudelijke jury zich in twee rondes over de projectinzendingen. Ze bestond uit Evelien Bracke (Design Museum Gent), Christian Oosterlinck (Flanders District of Creativity), Francis Carpentier (CIVA), Jeroen Junte (designjournalist), Heleen Van Loon (LUCA School of Arts), Inge Vranken (ex-medewerker Design Vlaanderen) en Ils Huygens (curator en auteur).
De selectie had niet de bedoeling een representatief beeld van de Vlaamse designsector te schetsen, en alle verschillende subdisciplines en thema’s gelijkwaardig aan bod te laten komen. Het jaarboek is geen exhaustief overzicht van alles wat er in Vlaanderen gemaakt werd. De jury, onder voorzitterschap van Jeroen Junte, was eerder op zoek naar de opmerkelijke projecten van de afgelopen periode, en wilde zeker ook de behaalde successen van de sector vieren.
Bij de selectie keek de jury dus niet uitsluitend naar vormkwaliteit of technische uitwerking. Projecten werden beoordeeld op hun conceptuele scherpte, maatschappelijke relevantie, authenticiteit, materiaalintelligentie, culturele betekenis en hun vermogen om verbindingen te leggen tussen mensen, systemen en hun omgeving. Er werd vaak bevraagd of en hoe een bepaald project impact heeft gemaakt. Daarnaast werd bijzondere aandacht besteed aan de artistieke en culturele urgentie van het project: waarom dit ontwerp vandaag relevant is, welke vragen het stelt en welke positie het inneemt binnen de actuele samenleving en ontwerppraktijk. Even belangrijk was de bijdrage die een project levert aan zijn eigen discipline. De jury ging op zoek naar ontwerpen die bestaande praktijken uitdagen, verrijken of een nieuwe richting voorstellen in een bepaald vakgebied. Ten slotte speelde ook de oorspronkelijkheid van de opzet en de vernieuwingskracht een belangrijke rol. Niet om innovatie als doel op zich te bekronen, maar om projecten te selecteren die via materiaalgebruik, methodiek, samenwerking, vormgeving of onderzoek een eigen en authentieke positie innemen.
Het resultaat is dan ook geen canon of rangschikking van projecten van de afgelopen twee jaar. Deze selectie brengt een reeks uiteenlopende praktijken samen die elk op hun eigen manier iets vertellen over de vragen, ambities en verschuivingen die vandaag leven binnen de Vlaamse designcultuur.
De geselecteerde projecten tonen een ontwerpveld dat zich moeilijk laat reduceren tot één discipline, stijl of generatie. Ze bestrijken een breed spectrum, maar worden verbonden door de vragen die ze stellen en de posities die ze innemen binnen de wereld van vandaag. Het boek toont een brede waaier aan projecten en disciplines, van al even diverse makers. Toch zijn er duidelijke tendensen af te leiden uit de selectie, en is de samenstelling van de groep op verschillende vlakken erg coherent.
Een eerste opvallende tendens is de hernieuwde aandacht voor materialen, vakmanschap en maakprocessen. Projecten zoals de gevilte wandtapijten van Morevi, de meubelobjecten van Middernacht & Alexander, de ruimtelijke ingrepen van Grond Studio, de werken van Linde Hermans en de slip casting van Margot Thyssen tonen een ontwerppraktijk die vertrekt vanuit de eigenschappen, geschiedenis en mogelijkheden van materialen. Niet zelden wordt de grens van bepaalde materialen opgezocht, en zelfs verlegd, zoals bijvoorbeeld bij het indrukwekkende Freeze Frame 82.2 van Studio Unfold, of de samenwerking van Ann Van Hoey met Loewe. Ambacht verschijnt daarbij niet als nostalgische terugblik, maar als een actuele kennisbron die nieuwe perspectieven opent voor ontwerp.
Daarnaast zien we een sterke aanwezigheid van projecten die ecologische uitdagingen benaderen vanuit materiaalonderzoek, circulariteit en hergebruik. De Scrap Chair van ROVER, de materialenbank BENDig van Tore Bleuzé, de volledig recycleerbare Ecoline Sofa, het Recare About-Shoes project, of de modulaire bedden van OpenStructures vertrekken vanuit de ambitie om grondstoffen langer in omloop te houden en bestaande systemen te herdenken. De Photosynthesising Flowerpots van LarbitsSisters tonen zelfs regeneratief design, waarbij een project niet alleen inzet op minder impact, maar actief bijdraagt aan de omgeving waarin ze ontstaat.
Een derde lijn situeert zich rond design als sociale praktijk. Verschillende projecten vertrekken vanuit ontmoeting, participatie en empowerment. Ontwerpers treden daarbij niet uitsluitend op als vormgevers van objecten, maar ontwikkelen vooral een proces met sociale meerwaarde. Projecten zoals Table Talk, Stemmen uit de Droogte, VRIJ-spel, Transisthor, How to_you do?, of hetdoek illustreren hoe ontwerp meer en meer functioneert als een verbindende kracht tussen mensen en hun omgeving. Projecten dienen als een start voor gesprekken en nieuwe vormen van samenwerking met zeer uiteenlopende gemeenschappen. Cocreatie blijft daarbij een belangrijke constante. Veel projecten tonen een ontwerpveld waarin auteurschap verregaand gedeeld wordt en ontwerpers verbinding zoeken met de wereld rondom hen.
Als vierde houden veel projecten een stil (of minder stil) protest. Ze willen iets agenderen, onder de aandacht brengen. Ze willen een verontwaardiging delen met een breder publiek. De projecten in deze selectie zijn opvallend geëngageerd, en willen het publiek in hun overtuiging meenemen. Het Curated Connections-ritueel bevraagt op die manier ons huidige makerlandschap, en Design is a voice maakt een statement tegen de oorlog in het Midden-Oosten. Er mag weer activisme zijn, en daarvoor maken heel wat projecten gebruik van storytelling through design. Coral Colours is een prachtig voorbeeld van hoe design als awareness building kan fungeren door te visualiseren wat normaal gezien in wetenschappelijke publicaties of grafieken verborgen blijft. Ook Thoughts Revolt toont, door middel van AI-technieken, een dystopisch toekomstbeeld op AI, en wil hierover het debat aanvuren.
De grote aandacht van ontwerpers voor het systeemdenken valt hier ook op. Grotere verhalen en dominante discours worden onderzocht en op doortastende wijze kritisch bekeken en bevraagd. Hele systemen worden hiervoor herdacht, zoals bijvoorbeeld bij de circulaire bekersystemen van Borro, of het online datingplatform van Browser Dating.
Ten slotte valt op hoeveel projecten aandacht hebben voor vertraging, zorg, herinnering en betekenisgeving. In een tijd die vaak wordt gekenmerkt door versnelling en verharding, creëren ontwerpers plekken, objecten en rituelen die ruimte maken voor het welzijn van de mens. Van de landschappelijke installaties van NOEST, het Ford Relict, de Aimé-duomobiel voor ouderen, tot de pakkende glazen 100% - 195071 urn van Thibeau Scarcériaux: de projecten tonen hoe design niet alleen oplossingen kan formuleren, maar ook nieuwe manieren kan aanbieden om troost en rust te vinden of een herwonnen connectie met de wereld te ervaren.
Is er dan geen enkele stijl te herkennen? In bepaalde projecten valt wel visuele verwantschap op. Daar hanteren ontwerpers een ontwerpbenadering die aansluit bij wat internationaal vaak wordt geassocieerd met Belgisch design: een voorkeur voor reductie, een grote aandacht voor materiaalexpressie en een zekere terughoudendheid in vormgeving. Dat Belgisch minimalisme of zelfs brutalisme geeft objecten een typisch uitgepuurd karakter, aangezien kleur en lijnvoering bewust worden teruggebracht tot de essentie. We hebben niet het gevoel dat die soberheid of precisie een stijlkenmerk op zich is, maar vaak eerder een instrument om de aandacht te richten op poëzie en authenticiteit.
De inhoudelijke lessen uit de essays
Er is in Vlaanderen daarnaast nog steeds weinig structurele ruimte voor designkritiek en inhoudelijke reflectie over designcultuur. Sectoren die inboeten op hun inhoudelijke ontwikkeling kunnen op termijn niet meer groeien, en verliezen aan relevantie. Ook hier wil het jaarboek een plaats bieden voor oprechte verdieping en discoursontwikkeling. De zeven opgenomen essays in dit boek, ontwikkeld na een betaalde schrijfopdracht aan de auteurs, benaderen het veld vanuit verschillende perspectieven. De jury bestond uit Amélie Rombouts (Knack Weekend), Jan Denolf (ex-uitgever Ludion), Karolien De Clippel (Modemuseum Hasselt) en Maarten Statius Muller (Statius PR).
De essays bieden een blik op de ideeën, spanningen en mogelijkheden die het hedendaagse ontwerpveld vormgeven. Vanuit hun eigen invalshoeken onderzoeken de auteurs hoe design zich verhoudt tot de uitdagingen van onze tijd: ecologische verandering, technologische versnelling, sociale verbondenheid, culturele identiteit en de zoektocht naar nieuwe vormen van betekenisgeving.
Verschillende bijdragen vertrekken vanuit de vaststelling dat het dominante vooruitgangsdenken onder druk staat. Fabienne Beernaert verkent het symbioceen als een mogelijk nieuw kompas voor ontwerppraktijken waarin wederkerigheid, zorg en onderlinge afhankelijkheid centraal staan. Nel Verbeke onderzoekt hoe melancholie, verlies en herinnering niet enkel persoonlijke ervaringen zijn, maar ook een manier kunnen bieden om ecologische verandering en collectieve kwetsbaarheid te begrijpen. Beide auteurs pleiten voor meer aandacht, vertraging en een hernieuwde relatie met de wereld om ons heen.
Ook de verhouding tussen technologie en menselijkheid komt nadrukkelijk aan bod. Cristina Bargna toont hoe digitale technologieën, artificiële intelligentie en computationele processen allesbehalve immaterieel zijn, maar ingebed zijn in complexe netwerken van materialen, energie en arbeid. Thomas Valcke benadert artificiële intelligentie dan weer vanuit de ontwerppraktijk zelf en onderzoekt hoe AI niet zozeer een vervanging van menselijke creativiteit vormt, maar een instrument kan worden om nieuwe perspectieven en onverwachte denkpistes te openen. Beide teksten verzetten zich tegen simplistische tegenstellingen tussen mens en machine, en zoeken naar manieren waarop technologie kritisch, bewust en betekenisvol kan worden ingezet.
Een andere rode draad is de herwaardering van vakmanschap, materialiteit en traagheid. Ingrid Allaerts beschrijft hoe een nieuwe generatie ontwerpers zich opnieuw engageert met ambachtelijke kennis, maakprocessen en materialen. Niet vanuit nostalgie, maar vanuit een verlangen naar kwaliteit, authenticiteit en betekenisvolle objecten in een wereld die steeds digitaler en vluchtiger wordt.
Tegelijk richten verschillende essays de blik op de bredere culturele en maatschappelijke rol van design. Vlad Ionescu pleit voor een begrip van design als een impliciete kunst die niet alleen objecten voortbrengt, maar ook gebaren, gedragingen en vormen van samenleven mogelijk maakt. Zsuzsanna Böröcz onderzoekt hoe ontwerpers opereren binnen institutionele, politieke en economische tijdsregimes, en hoe design kan bijdragen aan meer duurzame, zorgzame en relationele vormen van maatschappelijke verandering.
Ondanks hun brede onderwerpen delen de essays de idee dat design niet langer uitsluitend bestaat uit het vormgeven van producten, diensten of systemen. De auteurs schetsen design overkoepelend als een praktijk van aandacht. Het is een manier om relaties zichtbaar te maken, nieuwe verbindingen te leggen en alternatieve toekomsten voorstelbaar te maken. Samen tonen de essays hoe ontwerpers vandaag niet alleen objecten creëren, maar ook met allerlei projecten bijdragen aan het herdenken van de wereld waarin die objecten betekenis krijgen.
De nood aan designcultuur
Dit is ook wat we in de selectie van projecten lezen. We zien een ontwerpcultuur anno 2026 die zich niet uitsluitend richt op ‘vorm’geving, maar steeds nadrukkelijker bezighoudt met processen en relaties: tussen mens en materiaal, tussen individu en gemeenschap, tussen verleden en toekomst, tussen project en systeem, en tussen ontwerp en de bredere maatschappelijke context waarin het ontstaat. Designpunt zette een start van deze observatie ook reeds op de kaart met de expo Entangled Practices in oktober 2025.
Tegelijk maakt deze publicatie duidelijk dat een sterke ontwerppraktijk nood heeft aan een even sterke designcultuur. Ontwerpers hebben nood aan opdrachtgevers, producenten, onderzoekers, critici, curatoren, beleidsmakers en publiek. Ze hebben nood aan plaatsen waar werk kan worden getoond, besproken, bevraagd en gedocumenteerd. Een ontwerpveld groeit niet alleen door wat er wordt gemaakt, maar ook door de gesprekken die daarover gevoerd worden.
Dit jaarboek wil daarom meer zijn dan een momentopname van de voorbije twee jaar. Het is een uitnodiging om samen verder te bouwen aan een rijke designcultuur in Vlaanderen. Want design ontstaat nooit alleen. Designpunt geeft met dit jaarboek als bouwsteen een voorzet, maar het debat ontwikkelen we samen.
Auteur
Annelies Thoelen