Tijdens een sectormoment op 6 november 2025 nodigde Designpunt ontwerpers uit om samen te brainstormen rond drie thema’s: artistiek onderzoek en experiment, presentatie- en promotie en reflectie en discoursvorming. Zo wilde het team de voornaamste noden bij de ontwerpgemeenschap capteren, om die vervolgens te integreren in het beleidsplan. Voor het deeltje ‘reflectie en discoursvorming’ was de nood als volgt geformuleerd: design is als discipline gelaagd en voortdurend in verandering. Ze speelt in op een wereld die zelf evolueert. Een overkoepelende designcultuur zal niet alleen de sector zelf maar ook de buitenwereld helpen om inzicht te krijgen in dynamieken en thema’s.
Ontwerpers geven aan dat reflectie een essentieel onderdeel zou moeten zijn van elke praktijk. Het helpt inzicht te krijgen in de eigen gedachten en positie, en laat toe om via dialoog nieuwe lagen te ontdekken in het eigen werk. Onderzoek, presentatie en reflectie vormen een drie-eenheid, waarvan de verschillende delen elkaar continu voeden. Tegelijk geven de ontwerpers aan dat het in de dagelijkse realiteit vaak moeilijk is om er zelf tijd en ruimte voor te maken en dat individuele reflectie zijn grenzen kent. Ook beschikt niet iedereen over voldoende schrijf- en storytelling skills.
Wat is de status van reflectie en discoursvorming vandaag?
Hoewel er in een studiecontext veel tijd en ruimte wordt gemaakt voor reflectie en discoursvorming, valt dit zo goed als volledig weg na het afstuderen. Er is geen plek voor reflectie of ontmoeting, en er zijn weinig tot geen diepgaande publicaties of tijdschriften rond design. Hoewel er online heel veel informatie te vinden is, ontbreekt de bredere context daar vaak en is het niet evident om individueel een selectie te maken. Ook in een academische context wordt onderzoek verricht, maar door de band genomen is er weinig connectie met het veld.
In een wereld in volle verandering geven ontwerpers aan dat ze nog meer nood hebben aan reflectie door dialoog. Het ontwikkelen van een gemeenschappelijk discours helpt hen om de thema’s in hun eigen werk scherper te zien, waardoor ze in staat zijn om het verder te verdiepen. Zonder dit overkoepelende kader is het niet evident om hun eigen impact te kunnen inschatten, en zien velen zich genoodzaakt om eerder te kiezen voor ‘business as usual’ dan voor een kritisch geïnspireerde praktijk. Dat er weinig tot geen critici en curatoren zijn, en er geen gemeenschappelijk publiek is, maakt dat ontwerpers niet altijd weten welke inzichten ze met wie moeten delen.
Waar hebben designers op het vlak van reflectie en discoursvorming nood aan?
Het stimuleren van ontmoeting en dialoog, en er letterlijk plek voor creëren, vormt de basis. Dat kan zowel onder de vorm van individuele sessies met bijvoorbeeld portfoliodagen als in kritische of thematische gesprekken in groep. Ook het ondersteunen of zichtbaar maken van bestaande initiatieven of literatuur en het gericht koppelen van ontwerpers op basis van hun praktijk behoort tot de mogelijkheden. Een laagdrempelig debat of rondetafelgesprek, dat eventueel bottom-up wordt georganiseerd, helpt om de dialoog te faciliteren. Een kleine groep laat toe om diepgaander te werken. Voor ontwerpers gaat kwaliteit boven kwantiteit.
Inhoudelijk geven ontwerpers aan dat ze er belang aan hechten om zowel aandacht te hebben voor de historische context, de hedendaagse maatschappelijke context als de toekomst. En om te schakelen tussen concrete toepassingen en nieuwe tendensen. Ze willen het design om het design vermijden, en streven ernaar om hun werk in de wereld te plaatsen. Het opentrekken van het discours naar het brede publiek, en dat op een laagdrempelige manier, is iets wat in de gesprekken geregeld terugkomt. Er is nood om een groter publiek te creëren, en zo het potentieel van design breder uit te dragen.
Binnen de eigen sector geven ontwerpers aan dat ze het belangrijk vinden om de uitwisseling tussen de generaties te faciliteren via brugfiguren, rolmodellen of denktanks. Ook het collectief samen reflecteren of het koppelen van bepaalde groepen ontwerpers aan elkaar kan bijdragen aan reflectie en discoursvorming, en kan zaadjes planten voor een praktijkgemeenschap.
Heel concreet zou het faciliteren van schrijfworkshops kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de teksten over het eigen werk. Naast het visuele kan taal uitgroeien tot een tool voor kenniscreatie en overdracht. Ook de nood om een inhoudelijk representatief portfolio te kunnen samenstellen wordt in deze context genoemd. Tegelijk mag er niet verwacht worden dat elke ontwerper sowieso een begenadigd schrijver kan worden. Daarom blijft het belangrijk om een ondersteunend netwerk van critici, curatoren en coaches op te zetten, en eventueel ontwerpers aan hen te koppelen. Samen kan dit netwerk onderzoeken wat de juiste reflectie- en feedbackmethodes voor het designdiscours zijn, en kan er gezocht worden hoe het discours terug kritischer kan worden. Ook het opzetten van alternatieve reflectiemethodes kan hieraan bijdragen.