Tijdens een sectormoment op 6 november 2025 nodigde Designpunt ontwerpers uit om samen te brainstormen rond drie thema’s: artistiek onderzoek en experiment, presentatie- en promotie en reflectie- en discoursvorming. Zo wilde het team de voornaamste noden bij de ontwerpgemeenschap capteren, om die vervolgens te integreren in het beleidsplan. Voor het deeltje ‘artistiek onderzoek en experiment’ is de nood als volgt geformuleerd: design wordt vooral vanuit een economisch standpunt bekeken, maar daardoor is er te weinig aandacht, ruimte en tijd voor experiment en onderzoek.
Ontwerpers hebben ruimte en tijd nodig om te kunnen capteren wat de maatschappij nodig heeft, en dat nadien te kunnen teruggeven aan de maatschappij. Ze onderzoeken maatschappelijke en sociologische thema’s, en immateriële waarden. Experiment is hierbij een middel, maar geen einddoel. Voor de ontwerpers zelf biedt ruimte voor experiment een manier waarop hun eigen praktijk kan groeien. Voor KMO’s kan het helpen om hun eigen werking te innoveren, terwijl ze er zelf geen tijd en ruimte voor moeten voorzien.
Wat is de status van artistiek onderzoek van design vandaag?
Ontwerpers geven aan dat de (financiële) ruimte voor experiment een stuk beperkter is dan vroeger. Zo creëerden bedrijven vroeger ruimte, tijd en middelen voor experiment, zowel voor interne als externe ontwerpers. Een mooi voorbeeld zijn maandelijkse brainstormdagen zonder duidelijk vooropgesteld doel. Tien jaar geleden organiseerden bedrijven dit Google-gewijs met hun ontwerpteam, nu is daar geen ruimte meer voor. Ook betaalden bedrijven soms voor een stage van een ontwerper. Op momenten of plekken dat er wél nog ruimte is voor experiment – bijvoorbeeld bij start-ups voor digitale transformatie, wordt er steeds meer resultaat verwacht. Terwijl net de vrijblijvendheid of de ruimte voor falen noodzakelijk is voor doorgedreven experiment, dat zo op de lange termijn tot de broodnodige vernieuwing kan leiden.
Daarnaast ervaren ontwerpers een algemene onderwaardering voor experiment. Er is geen financieel model voor experiment, waardoor ze dat er vaak parttime bijnemen naast hun ‘klassieke werk’. Bij subsidies binnen het Kunstendecreet ervaren ze een kloof tussen hun resultaatsgerichte praktijk en het vereiste, meer academische discours. Het aanbod aan residenties dat zich specifiek op ontwerpers richt, is schaars. Met internationale residentieplekken is er geen structurele samenwerking zoals dat voor andere disciplines het geval is. Er is algemeen weinig erkenning van de overheid voor de designsector, wat de algemene zichtbaarheid niet ten goede komt. Een tekort aan middelen maakt het moeilijk om buiten de gekende paden te treden.
Het onderzoek en experiment dat binnen een academische context plaatsvindt, blijft vaak onzichtbaar voor de grotere (ontwerp)gemeenschap. Bovendien geven onderzoekers aan dat ze soms een spreidstand ervaren tussen onderzoek in de kunsten en praktijkgericht onderzoek. Ook in andere contexten zorgt deze wisselwerking tussen autonoom en toegepast werk vaak voor onbegrip, terwijl dit net een van de karakteristieken van design is. Een ontwerper switcht continu tussen de twee; een opdeling voelt artificieel aan.
Waar hebben designers op het vlak van artistiek onderzoek nood aan?
Ontwerpers hebben nood aan een organisatie die een faciliterende rol opneemt en samenwerkingsverbanden stimuleert. Die samenwerkingen kunnen zowel de onderlinge uitwisseling tussen ontwerpers uit verschillende disciplines en generaties stimuleren als de connectie met bedrijven of maatschappelijke organisaties. Het kan interessant zijn om dit via een vooropgesteld thema – op basis van een vastgestelde onderzoeksnood – te stimuleren, en zo ontwerpers met een gelijkaardige interesse samen te brengen en uit te dagen.
De tijd en ruimte die wordt gemaakt voor het experiment, kan verschillende vormen aannemen. Dat kan gaan om een residentie, living lab of hub, maar ook om een laagdrempeliger initiatief zoals het creëren van ruimte om experiment te bespreken, zowel onder ontwerpers onderling als met bedrijven. Vaak belanden experimenten van ontwerpers in de schuif, omdat ze er zelf niet op verder werken en geen plek hebben om het met potentiële geïnteresseerden te delen.
Er is een nood om het onderzoek te leren vertalen naar een narratief. Schrijvers en curatoren kunnen als een klankbord functioneren om zo het proces sterker te maken en in beeld en taal te leren omzetten. Ook is er nood om letterlijk ruimte te krijgen voor de presentatie van de verschillende lagen van het experiment.
Als finale stap is het belangrijk om de kennis uit het experiment te delen en zo de waarde van experiment in de verf te zetten. Nu blijft experiment vaak onzichtbaar, waardoor het niet verder kan groeien en er mogelijks waardevolle ideeën verloren gaan. Het experiment zichtbaar maken kan via een presentatie, platform, artikel of gespreksmoment. Mensen samenbrengen en samen reflecteren biedt waardevolle inzichten om nieuwe perspectieven op de wereld te kunnen formuleren.
Algemeen heeft experiment nood aan traagheid en ruimte om te kunnen falen. Deadlines, verwachtingen of regels remmen het experiment af. Transdisciplinaire samenwerkingen kunnen nieuwe perspectieven bieden en tot onverwachte crossovers en conversaties leiden. Tijd en een financieel kader voor experiment zijn daarom onontbeerlijk. Deze vereiste sluit aan bij de kerninzichten uit de Landschapstekening Kunsten (2025). Die stelt een algemene nood aan verlangzaming vast, zodat er meer tijd kan worden gemaakt voor ontwerpend onderzoek en experiment. Enkel door voor deze ontwikkeling voldoende tijd, ruimte en dus ook middelen te voorzien, kan artistiek onderzoek voldoende diepgaand gevoerd worden, zonder daarbij voortdurend presentatiedruk te voelen.